Thursday, July 27, 2006

"Versailles"

Verschillende recensies gelezen, door een vriendin aangeraden gekregen, gisteren dan eindelijk gezien: Marie Antoinette, de nieuwste film van Sophia Coppola, regisseuse van onder andere Lost in Translation. Op een enkele uitzondering na waren de recensenten het erover eens dat dit niet de beste film van Sophia Coppola is. Belangrijkste verwijt: de film is anachronistisch. Mij lijkt dat nu juist de kracht.

Marie Antoinette, voortreffelijk gespeeld door Kirsten Dunst, komt over als een zelfverzekerde vrouw die zich schijnbaar moeiteloos aanpast aan het milieu waarin ze terechtkomt. Versailles wordt neergezet als een decadent hof waar iedereen door iedereen wordt bekeken, iedereen over iedereen praat, zowel onschuldig als grimmig, vooral over Marie Antoinette, die als Oostenrijkse prinses een troonopvolger moet “produceren” voor Frankrijk. Wanneer ze in de Hofopera aan het einde van de voorstelling tegen de traditie in begint te klappen, krijgt ze na enige tijd iedereen mee. Maar wanneer ze in de Parijse opera hetzelfde doet, moet ze haar applaus staken. Versailles weet ze te veroveren - Frankrijk niet. En dat ondanks het feit dat ze na enige tijd een mannelijke troonopvolger “produceert” - waarmee ze haar belangrijkste plicht heeft vervuld. Ze schikt zich in haar lot. Samen met haar man geven ze zich over aan het Franse volk, dat hun na de bestorming van de Bastille woedend opwacht.

Hoewel de kostuums schitterend zijn, is deze film geen kostuumdrama. De soundtrack met overwegend jaren ‘80-muziek maakt Marie Antoinette tot een metafoor voor ónze tijd. Overvloed, roddel, verveling: we leven in één groot Versailles. Ook het buitenvervlijf dat Marie Antoinette op een gegeven moment krijgt, maakt daarvan onderdeel uit. De imitatie van het landleven bevestigt de afwezigheid ervan.

Denk bij het zien van Versailles van Sophia Coppola aan een willekeurige universiteitsstad in Nederland, waar studerenden en werkenden zich vervelen en vermaken - veel drinken, veel eten, veel spelen, uit en thuis - door voortdurend op elkaar te letten, voortdurend over elkaar te praten - wie doet het met wie? - nu eens is de sfeer onschuldig, dan weer grimmig.

Onlangs verscheen van de hand van Christiaan Weijts, medewerker van het Leidse universiteitsblad Mare en voormalig student Nederlands aan de Leidse universiteit, de roman art.285b. Het boek werd zonder uitzondering positief ontvangen. Op 28 juli verscheen in de Groene Amsterdammer een eerste meer kritische bespreking onder de titel ‘Get a life’, door recensent Kees ‘t Hart. Het zielige van de hoofdpersoon van Weijts’ boek is het zielige van de bewoners van Versailles. Maar waar Sophia Coppola haar Marie Antoinette gevoel voor ironie en tragiek meegeeft, blijft Christiaan Weijts’ alter ego Sebastiaan Steijn zelfgenoegzaam hangen in cynisme en onverschilligheid. ‘t Hart waarschuwt: ”Alles is opgelegd ernstig, cynisch en zwartgallig. Is dit de Nederlandse Houellebecq? Of een nieuwe Grunberg? Nog lang niet, daarvoor is er in de held te veel ijdelheid en te weinig wanhoop voelbaar.” (p. 41) Die wanhoop voelen we bij Marie Antoinette wel. En zonder die wanhoop lijkt me een ontsnapping of overgave aan ieder Versailles onmogelijk.

Tuesday, July 25, 2006

Digitaal nihilisme?


In het artikel 'Digitale Nihilisten?' in de meest recente aflevering (73) van het Duitstalige tijdschrift Lettre International legt Geert Lovink uit waarom bloggen dikwijls als een nihilistische bezigheid wordt beschouwd. Voor zover blogs getuigen van "Netzzynismus" en "Exhibitionismus" zijn het volgens hem uitingen van de drang om gehoord te worden, de wil om te zeggen wat je denkt en voelt, de noodzaak zelfs om de waarheid te zeggen: "Es ist ein unmittelbarer Drang zur Replik, der Wille, gehört zu werden, um mit den anderen da draußen zusammen zu sein." Dit doet mij denken aan Richard Rorty's beschrijving van de ironicus. Waarom spreekt de één over cynisme en de ander over ironie? Wat hebben beide met nihilisme te maken?

In dit nummer tevens een interessant artikel van Slavoj Zizek over atheïsme. (En wat dat dan weer met nihilisme te maken heeft?)

Monday, July 24, 2006

Wim Quist, Rijksbouwmeester 1974-1979

Naar aanleiding van de tentoonstelling “200 jaar Rijksbouwmeester” in het Nederlands Architectuurinstituut (NAi) te Rotterdam zendt de AVRO een serie portretten uit van de laatste zes Rijksbouwmeesters. De eerste uitzending was gewijd aan Wim Quist, in functie van 1974 tot 1979. In deze uitzending bijzondere aandacht voor het Leidse Witte Singel / Doelencomplex, waar de alfa-faculteiten en de Universiteitsbibliotheek van de Universiteit Leiden gevestigd zijn. Zelf ben ik hier werkzaam aan de Faculteit der Wijsbegeerte.

Oorspronkelijk was het de bedoeling dat er een universiteitsbibliotheek kwam met een hele hoge toren die boven de stad Leiden zou uitrijzen. Quist heeft dit voorkomen. Hij zegt er het volgende over: “…in die tijd waren wij van mening dat je niet zomaar een te grootschalig element tussen kleinschalige en broze gebouwen neer kunt zetten. Wat mijn opvatting toen was, en eigenlijk nog steeds, is dat ik geen voorstander ben van historiserend bouwen. Ik vind dat je in je eigen tijd je vak kunt uitoefenen en dat je dat alle ruimte moet geven. Maar met respect voor de omgeving en voor de maat en de schaal van die omgeving en het functioneren uiteraard van die gebouwen.” Op locatie, terwijl hij uitkijkt op de Universiteitsbibliotheek (Bart van Kasteel) en de gebouwen daarnaast (Joop van Stigt), zegt Quist: “…met de middelen van de eigen tijd…is er iets neergezet wat op een hele markante wijze zich invoegt in de bestaande omgeving en die de omgeving als het ware weer oppakt, en zich niet misdraagt, als hier sta ik de architectuur te zijn, maar zich gedraagt. En dat is een vorm van beschaving.”

Ook spreekt Quist over de gekleurde glasplaten (Jan van Goethem) die in het Lipsiusgebouw hangen. De interviewster vraagt hem: “Waarom is het belangrijk, kunst in openbare gebouwen?” Quist antwoordt: “Omdat het je aan het denken zet. En je kan niet genoeg gestimuleerd worden om na te denken over de kwaliteit van het bestaan.”

Met Quists uitgangspunten kan ik instemmen. Maar of juist déze gebouwen een geslaagde toepassing zijn van deze uitgangspunten? Bovendien dient de kwaliteit van een gebouw ook te worden afgemeten aan de tevredenheid van de gebruikers. Als ervaringsdeskundige kan ik zeggen dat ik toch liever in één van de negentiende-eeuwse panden “in de bestaande omgeving” zou werken dat tussen het betongrijs en donkerbruin uit de jaren zeventig.

Wie meer wil weten over de gebouwen van de Universiteit Leiden kan het volgende boek raadplegen: Vier eeuwen geschiedenis in steen. Universitaire gebouwen in Leiden, Univeriteit Leiden, 2005. Uit dit boek blijkt dat de stramienmaat van de Universiteitsbibliotheek en de gebouwen daarnaast willekeurig gekozen is: “…het is de kleinste parkeermaat voor drie auto’s. De architecten konden geen andere referentie bedenken, ze waren allemaal even goed en even slecht. ‘Boeken passen overal.’” (p. 61). Als dit geen zwaktebod is…