Friday, September 28, 2007
A room with a view
Thursday, September 27, 2007
'Welcome to Chicago' II
's Avonds vond er een orientation plaats in het International House. Een gratis maaltijd en een rondleiding door het enorme complex. Ik heb meteen maar besloten zoveel mogelijk tijd buiten deze kloosterachtige omgeving door te brengen. De campus van de University of Chicago is een veel aangenamer plek. Veel groen, veel bankjes, genoeg plekken om een bagel met kaas te eten (hoewel, kaas...) onder het genot van een cafe latte (small uiteraard, hetgeen voor Nederlandse begrippen op zijn minst nog medium is), terwijl even verder de eekhoorns schichtig over het grasperk schieten.
De Committee on Social Thought (in Foster Hall, het gebouw achteraan op de foto) is onderdeel van de Division of Social Sciences; dat is een soort superfaculteit der sociale wetenschappen. Volgens de coordinator die verantwoordelijk was voor mijn komst naar Chicago is het Committee ooit opgericht om tegenwicht te bieden tegen de neiging tot toenemende specialisatie in de klassieke Departments, zoals Political Science en Philosophy. Het begrip social thought betekent volgens hem niets, maar is eerder een excuus om te kunnen doen wat je wilt. Er worden dan ook cursussen aangeboden over uiteenlopende onderwerpen, van world poetry tot de sociologische bestudering van religie. In Nederland zouden we eerder spreken van een interdisciplinair 'centrum' of 'instituut'. De meeste stafleden zijn tevens benoemd aan een Department, in de meeste gevallen aan wijsbegeerte of politicologie. Ook de studenten zijn veelal dubbelvakkers. Misschien een goed idee, een Leids Centrum voor Sociaal Denken? Ook in het Nederlands zegt deze term immers niet zoveel...
Tuesday, September 25, 2007
'Welcome to Chicago'
Vanmiddag woonde ik mijn eerste college bij. De keuze was niet gemakkelijk, maar doordat ik de collegezaal net op tijd vond, kon ik aanschuiven bij het seminar van John McCormick over politieke theologie bij Carl Schmitt en een aantal van zijn tijdgenoten, zoals Benjamin en Strauss. Het onderwerp van dit college sluit het beste aan bij mijn dissertatie. Ik laat Martha Nussbaum nu schieten, die op hetzelfde tijdstip college geeft over onderwijsfilosofie. Ze zal het me niet kwalijk nemen. Het college van McCormick heeft de vorm van een graduate seminar. Ruim twintig studenten in carré, zeer goed voorbereid, welbespraakt, niet bang om iets te zeggen, scherp, intelligent en to the point, drie uur zonder pauze, geen gegeeuw, geen verveelde blikken op klokken, horloges of mobiele telefoons. Dit heb ik in Nederland nooit meegemaakt. Maar laat ik hier niet over doorgaan, want ieder ophemelen van de Amerikaanse universiteit leidt in Nederland, vertaald in beleid en bureaucratie, tot Britse toestanden. En dan heb ik het niet over Oxford en Cambridge.
Over Oxford en Cambridge gesproken, de campus van de University of Chicago is grotendeels opgetrokken in neogotische stijl. Zie hier een foto van het International House, waar ik verblijf:
Monday, September 24, 2007
'Welkom in de Winderige Stad'
'Welcome to the Windy City' werd er in het vliegtuig omgeroepen. Chicago heeft vele bijnamen, waarvan dit de bekendste is. Het ligt voor de hand om te denken dat deze naam refereert aan de straffe wind die vanaf Lake Michigan de stad in waait, of - minder voor de hand liggend - aan de kennelijk fameuze winderigheid waaraan de bewoners van deze stad lijden. Geen van beide is waar. De naam verwijst naar de holle frasen en loze beloften van negentiende-eeuwse lokale politici. Wind dus.
Saturday, September 22, 2007
DOORSTART
Tuesday, August 29, 2006
BLOG VERPLAATST
Thursday, July 27, 2006
"Versailles"
Marie Antoinette, voortreffelijk gespeeld door Kirsten Dunst, komt over als een zelfverzekerde vrouw die zich schijnbaar moeiteloos aanpast aan het milieu waarin ze terechtkomt. Versailles wordt neergezet als een decadent hof waar iedereen door iedereen wordt bekeken, iedereen over iedereen praat, zowel onschuldig als grimmig, vooral over Marie Antoinette, die als Oostenrijkse prinses een troonopvolger moet “produceren” voor Frankrijk. Wanneer ze in de Hofopera aan het einde van de voorstelling tegen de traditie in begint te klappen, krijgt ze na enige tijd iedereen mee. Maar wanneer ze in de Parijse opera hetzelfde doet, moet ze haar applaus staken. Versailles weet ze te veroveren - Frankrijk niet. En dat ondanks het feit dat ze na enige tijd een mannelijke troonopvolger “produceert” - waarmee ze haar belangrijkste plicht heeft vervuld. Ze schikt zich in haar lot. Samen met haar man geven ze zich over aan het Franse volk, dat hun na de bestorming van de Bastille woedend opwacht.
Hoewel de kostuums schitterend zijn, is deze film geen kostuumdrama. De soundtrack met overwegend jaren ‘80-muziek maakt Marie Antoinette tot een metafoor voor ónze tijd. Overvloed, roddel, verveling: we leven in één groot Versailles. Ook het buitenvervlijf dat Marie Antoinette op een gegeven moment krijgt, maakt daarvan onderdeel uit. De imitatie van het landleven bevestigt de afwezigheid ervan.
Denk bij het zien van Versailles van Sophia Coppola aan een willekeurige universiteitsstad in Nederland, waar studerenden en werkenden zich vervelen en vermaken - veel drinken, veel eten, veel spelen, uit en thuis - door voortdurend op elkaar te letten, voortdurend over elkaar te praten - wie doet het met wie? - nu eens is de sfeer onschuldig, dan weer grimmig.
Onlangs verscheen van de hand van Christiaan Weijts, medewerker van het Leidse universiteitsblad Mare en voormalig student Nederlands aan de Leidse universiteit, de roman art.285b. Het boek werd zonder uitzondering positief ontvangen. Op 28 juli verscheen in de Groene Amsterdammer een eerste meer kritische bespreking onder de titel ‘Get a life’, door recensent Kees ‘t Hart. Het zielige van de hoofdpersoon van Weijts’ boek is het zielige van de bewoners van Versailles. Maar waar Sophia Coppola haar Marie Antoinette gevoel voor ironie en tragiek meegeeft, blijft Christiaan Weijts’ alter ego Sebastiaan Steijn zelfgenoegzaam hangen in cynisme en onverschilligheid. ‘t Hart waarschuwt: ”Alles is opgelegd ernstig, cynisch en zwartgallig. Is dit de Nederlandse Houellebecq? Of een nieuwe Grunberg? Nog lang niet, daarvoor is er in de held te veel ijdelheid en te weinig wanhoop voelbaar.” (p. 41) Die wanhoop voelen we bij Marie Antoinette wel. En zonder die wanhoop lijkt me een ontsnapping of overgave aan ieder Versailles onmogelijk.
Tuesday, July 25, 2006
Digitaal nihilisme?

In het artikel 'Digitale Nihilisten?' in de meest recente aflevering (73) van het Duitstalige tijdschrift Lettre International legt Geert Lovink uit waarom bloggen dikwijls als een nihilistische bezigheid wordt beschouwd. Voor zover blogs getuigen van "Netzzynismus" en "Exhibitionismus" zijn het volgens hem uitingen van de drang om gehoord te worden, de wil om te zeggen wat je denkt en voelt, de noodzaak zelfs om de waarheid te zeggen: "Es ist ein unmittelbarer Drang zur Replik, der Wille, gehört zu werden, um mit den anderen da draußen zusammen zu sein." Dit doet mij denken aan Richard Rorty's beschrijving van de ironicus. Waarom spreekt de één over cynisme en de ander over ironie? Wat hebben beide met nihilisme te maken?
In dit nummer tevens een interessant artikel van Slavoj Zizek over atheïsme. (En wat dat dan weer met nihilisme te maken heeft?)
Monday, July 24, 2006
Wim Quist, Rijksbouwmeester 1974-1979
Oorspronkelijk was het de bedoeling dat er een universiteitsbibliotheek kwam met een hele hoge toren die boven de stad Leiden zou uitrijzen. Quist heeft dit voorkomen. Hij zegt er het volgende over: “…in die tijd waren wij van mening dat je niet zomaar een te grootschalig element tussen kleinschalige en broze gebouwen neer kunt zetten. Wat mijn opvatting toen was, en eigenlijk nog steeds, is dat ik geen voorstander ben van historiserend bouwen. Ik vind dat je in je eigen tijd je vak kunt uitoefenen en dat je dat alle ruimte moet geven. Maar met respect voor de omgeving en voor de maat en de schaal van die omgeving en het functioneren uiteraard van die gebouwen.” Op locatie, terwijl hij uitkijkt op de Universiteitsbibliotheek (Bart van Kasteel) en de gebouwen daarnaast (Joop van Stigt), zegt Quist: “…met de middelen van de eigen tijd…is er iets neergezet wat op een hele markante wijze zich invoegt in de bestaande omgeving en die de omgeving als het ware weer oppakt, en zich niet misdraagt, als hier sta ik de architectuur te zijn, maar zich gedraagt. En dat is een vorm van beschaving.”
Ook spreekt Quist over de gekleurde glasplaten (Jan van Goethem) die in het Lipsiusgebouw hangen. De interviewster vraagt hem: “Waarom is het belangrijk, kunst in openbare gebouwen?” Quist antwoordt: “Omdat het je aan het denken zet. En je kan niet genoeg gestimuleerd worden om na te denken over de kwaliteit van het bestaan.”
Met Quists uitgangspunten kan ik instemmen. Maar of juist déze gebouwen een geslaagde toepassing zijn van deze uitgangspunten? Bovendien dient de kwaliteit van een gebouw ook te worden afgemeten aan de tevredenheid van de gebruikers. Als ervaringsdeskundige kan ik zeggen dat ik toch liever in één van de negentiende-eeuwse panden “in de bestaande omgeving” zou werken dat tussen het betongrijs en donkerbruin uit de jaren zeventig.
Wie meer wil weten over de gebouwen van de Universiteit Leiden kan het volgende boek raadplegen: Vier eeuwen geschiedenis in steen. Universitaire gebouwen in Leiden, Univeriteit Leiden, 2005. Uit dit boek blijkt dat de stramienmaat van de Universiteitsbibliotheek en de gebouwen daarnaast willekeurig gekozen is: “…het is de kleinste parkeermaat voor drie auto’s. De architecten konden geen andere referentie bedenken, ze waren allemaal even goed en even slecht. ‘Boeken passen overal.’” (p. 61). Als dit geen zwaktebod is…
Thursday, July 20, 2006
Essays, filosofisch, enigszins

Onlangs verschenen: Stukwerk van Geerten Meijsing. Ondertitel: Enigszins filosofische essays. In een interview met Meijsing in een uitzending van De avonden noemt de interviewer dit een bescheiden ondertitel. Meijsing antwoordt: "Zou jij een boek dat als titel had Filosofische essays niet een beetje wantrouwen? Bovendien, ik ben geen filosoof, en in mijn familie is er wel een filosoof, mijn kleine zusje die doceert filosofie, dus ik moet heel voorzichtig zijn. Maar het is natuurlijk... Het neemt iets terug, het is een manier om een bepaald soort gedetacheerdheid uit te drukken, afstand die je genomen hebt. Ik babble ook wat in de filosofie. Ik ben... Het is geen echte filosofie natuurlijk. Daarom... Het is een beetje een ironische titel." Dat laatste kan ook niet anders. Plato is één van de denkers en schrijvers die door de (niet geheel toevallig in Syracuse woonachtige) Meijsing wordt bewonderd. En Plato was, in tegenstelling tot wat vaak wordt beweerd, een meester in de ironie.
Denkers als Ad Verbrugge en Andreas Kinneging zijn minder bescheiden en noemden hun bundels respectievelijk Tijd van onbehagen. Filosofische essays over een cultuur op drift en Geografie van goed en kwaad. Filosofische essays. Geen spoor van ironie in deze titels. In de werken zelf trouwens ook niet.
Leuk aan het boek van Meijsing is dat er tussen de tekst door illustraties staan afgedrukt. Ik bespeur hier een nieuwe tendens. Bij mijn weten is Peter Sloterdijk ermee begonnen: zijn Sferen-trilogie bevat verschillende afbeeldingen. Zo wordt de zeggingskracht van de tekst afgewisseld met de geheel andere zeggingskracht van het beeld.
"Wouter ziet me niet zo zitten"
Persoonlijke noot: toen ik een jaar geleden zelf twijfelde tussen politiek en wetenschap, heb ik daarover met Godelieve van Heteren gepraat. Zij raadde me ten stelligste af om vóór mijn veertigste de politiek in te gaan. Ik zou eerst "de echte wereld" moeten verkennen. Inmiddels werk ik al bijna een jaar in de wetenschap, maar heb nou niet het gevoel dat die onderdeel uitmaakt van "de echte wereld". Maar misschien bestaat "de echte wereld" ook helemaal niet. Althans niet echt.
Overigens is het me opgevallen dat Wouter Bos zich zelden positief uitlaat over wetenschappers, denkers, intellectuelen. Terwijl hij zelf cum laude is afgestudeerd in twee wetenschappen (economie en politicologie) en voorbestemd leek voor een wetenschappelijke carrière. Maar in zijn boek Dit land kan zoveel beter schrijft hij: "Ik vond de universiteit niet inspirerend. Het gonsde op de gangen niet echt van ambitie. Er liepen te veel mensen rond die volgens mij nauwelijks iets presteerden." (p. 27). Tijdens een lezing die Bos onlangs hield aan de Leidse universiteit in het kader van de promotie van zijn boek liet hij zich ontvallen dat academici zichzelf niet zo belangrijk moesten vinden. (Reden voor of gevolg van het door de PvdA voorgestelde nieuwe studiefinancieringsstelsel...?)
Ik begin toch te vermoeden dat denkers Wouter Bos confronteren met zijn eigen, niet verwezenlijkte wetenschappelijke talent. Het lijkt me van belang dat er in die fractiekamer iemand aanwezig is die Wouters andere ik weerspiegelt. Daarom, Godelieve, hoop ik dat je partij je hoog op de kandidatenlijst zal plaatsen, opdat je gekozen wordt. (En áls ik op de Partij van de Arbeid stem, stem ik op jou.)
Wednesday, July 19, 2006
Geloof en weten
Saturday, July 15, 2006
De Witte Spelling II
Thursday, July 13, 2006
Amos Oz
Vanavond was ik in boekhandel Verwijs in Den Haag, op zoek naar een cadeau, op de afdeling literatuur. Mijn ogen gleden langs José Saramago, Michel Houellebecq, Amos Oz. Ik herinnerde mij dat ik ergens een klein boekje besproken had gezien van Amos Oz, getiteld Hoe genees je een fanaticus? Ik verkeerde in de veronderstelling dat het besproken was onder het kopje "ramsj", had het al eerder gezocht, maar niet gevonden. Vandaag was het er, onopvallend ingeklemd tussen Oz' Een verhaal van liefde en duisternis en een andere roman van zijn hand. In het korte voorwoord van het kleine boekje schrijft Nadine Gordimer over Oz het volgende: "Hij weet ons er ... onweerlegbaar van te overtuigen dat het Israëlisch-Palestijnse conflict 'geen godsdienstoorlog [is], geen oorlog tussen culturen, geen verschil in traditie, maar heel eenvoudig een geschil over onroerend goed, over de vraag van wie het huis is.'" Hiermee gaat hij in tegen de intuïtie die ik uitte in mijn post van 6 februari jl. Al moet gezegd dat ik sprak over een verschil in "beschaving" en niet over een verschil in "cultuur". Dat zijn wellicht toch twee verschillende dingen. Hoe genees je een fanaticus? staat nu in mijn eigen boekenkast te wachten, opvallend geflankeerd door (alweer) Oz' Een verhaal van liefde en duisternis en (dat is nieuw) Orwells 1984. Overigens is het de moeite waard om een kijkje te nemen in boekhandel Verwijs - door zijn ligging in de Passage zonder enige twijfel de mooiste boekhandel van Den Haag.
Wednesday, July 12, 2006
De Witte Spelling

Vanavond in NRC Handelsblad en vanochtend al in Trouw: de witte spelling komt eraan. Half augustus verschijnt bij uitgeverij Het Spectrum Het Witte Boekje, een alternatieve spellinggids die door de al genoemde kranten zal worden gebruikt, evenals door de Volkskrant, weekbladen als Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer en ook de NOS. Terwijl Het Groene Boekje de officiële spelling bevat van de Nederlandse taal, de "staatsspelling" die is vastgesteld door de Nederlandse-Taalunie, biedt Het Witte Boekje een spelling die beter aansluit bij het taalgevoel van de taalgebruikers. Volgens de witte spelling mag "pannekoek" weer worden geschreven zonder tussen-n. Hopelijk zal deze "onafhankelijke" spelling spoedig worden omarmd door eenieder die Nederlands schrijft. Ik bestel alvast een exemplaar van Het Witte Boekje.
Monday, July 10, 2006
Missionair III
Tuesday, July 04, 2006
Frank Furedi
Saturday, July 01, 2006
Missionair II
In Nederland verandert de spelling steeds vaker. In 1995 werd de beruchte tussen-n ingevoegd. Nu zijn er nieuwe spellingsmaatregelen genomen om de spelling nóg eenvoudiger te maken. De geest die achter de veranderingen van de regels steekt, is steeds dezelfde. Eenvoudige, algemeen toepasbare regels, zodat de spelling makkelijker te leren is.
Helaas sluiten de nieuwe regels niet aan bij het taalgevoel van de taalgebruikers. Een aantal Nederlandse dagbladen heeft besloten de regels niet over te nemen en hanteert een eigen spelling, die de "witte spelling" is genoemd. Wit - dus niet groen (van het Groene Boekje). Maar voor de term "wit" is ook gekozen omdat het herinnert aan de "witte marsen" in België naar aanleiding van de affaire-Dutroux. Wit weerspiegelt onschuldig, lijdzaam en geweldloos verzet.
Achter het stilwijgend gangbaar worden van de (foutieve) term "missionair kabinet" en de snel opeenvolgende spellingsveranderingen gaat een zelfde denkhouding schuil, die ik wil aanduiden als "instrumentalisme". Taal is in de eerste plaats een instrument, dat zo gemakkelijk mogelijk gebruikt moet kunnen worden. De rijkdom van betekenissen, de geschiedenis van woorden en het daarop gebaseerde "taalgevoel" zijn ondergeschikt aan het gebruiksgemak. Het lijkt me niet toevallig dat er door woordenboekmakers goed verdiend wordt aan spellingshervormingen. Voor hen is taal een instrument om geld te verdienen. Voor de media en politici (die gaan samen) is taal een instrument om snel een boodschap te kunnen overbrengen van een zender naar zoveel mogelijk ontvangers.
Dat deze tendens niet onschuldig is, bewijst de oprichting van het comité De Witte Spelling. Blijkbaar is er iets in de taal of in de mens dat zich verzet tegen deze tendens van verarming. Verarming omdat bijvoorbeeld de nieuwe spellingsregels niets meer te maken hebben met de betekenis van de woorden, maar alleen nog maar formeel zijn. Dit geldt bijvoorbeeld voor de tussen-n-regel. Waar je voorheen door een beetje nadenken gemakkelijk kon achterhalen of je "bessensap" of "bessesap" moest schrijven (in het eerste geval betreft het het sap van twee of meer bessen, in het tweede geval het sap van één bes), moet je nu op basis van een abstracte regel (altijd een tussen-n, behalve wanneer het meervoud van het betreffende zelfstandig naamwoord ook met een s kan worden weergegeven) "uitrekenen" hoe je het woord spelt. Met de betekenis van het woord heeft dit niets meer te maken.
Missionair?
Het begrip "demissionair" is overgenomen uit het Frans, waar het "ontslagen" betekent. Het begrip "missionair" komt in het Frans wel voor, maar dan als zelfstandig naamwoord, en betekent dan (aangevuld met een stomme e), "missionaris" of "zendeling". "Missionair kabinet" betekent dus veeleer "zendingskabinet", hetgeen (nu nog) demissionair premier Balkenende als initiator van het "normen-en-waarden-debat" ongetwijfeld als een eretitel zou beschouwen...
Is hier nu sprake van foutief taalgebruik, van taalverwaarlozing of zelfs taalverloedering? Wat vaststaat, is dat er sprake is van taalverandering. En in tegenstelling tot drie jaar geleden, lijkt niemand er nu om te malen.
Taalverandering is van alle tijden. En waarschijnlijk is het ook van alle tijden dat erover geklaagd wordt. Maar ik heb de indruk dat er nu minder moeilijk over wordt gedaan dan vroeger. Dat taalverandering wordt geaccepteerd als een natuurlijk gegeven. En ik vraag mij af hoe dat komt.
Enige jaren geleden las ik in het NRC Handelsblad (ook de redactie van deze kwaliteitskrant spreekt zonder voorbehoud over een "missionair kabinet") in de wetenschapsbijlage een artikel over een taalkundige die op basis van onderzoek had vastgesteld dat het voor allochtonen lastig is om in het Nederlands getallen te leren, omdat het "onlogisch" zou zijn dat wij "eenentwintig" zeggen in plaats van "twintig-één", zoals bijvoorbeeld de Engelsen plegen te doen. De betreffende taalkundige stelde voor om in het Nederlands de volgorde voortaan om te draaien, en dus te spreken van "twintig-één", enz. Hiermee verried hij een instrumentele opvatting van de taal, die vooral zo gemakkelijk mogelijk te leren moet zijn, in plaats van een bepaald historisch zo gegroeid systeem te zijn met min of meer vaststaande regels.
Taalkundigen houden zich in de eerste plaats bezig met de bestudering van taalverandering, in plaats van met de bestudering of vastlegging van de grammatica en syntaxis van een bepaalde taal. Waar taalkundigen "vroeger" vooral normatief bezig waren, nemen ze nu nog slechts een descriptieve houding in. Waar een taal voorheen verondersteld werd een bepaald "wezen" te bezitten, wordt een taal nu nog slechts als veranderlijk empirisch verschijnsel beschouwd.
Ik heb sterk de indruk dat deze "descriptieve" houding van hoogleraren Nederlandse taalkunde - overigens is de sterke splitsing van taalkunde en letterkunde zelf al een gevolg of symptoom van deze ontwikkeling - in onze hele samenleving aanwezig is. Verandering wordt misschien nog wel geconstateerd, maar niet langer veroordeeld.
Of dit iets te maken heeft met het verval van normen en waarden, durf ik niet te zeggen. (Al was het maar uit angst om voor "purist" of "conservatief" te worden versleten - twee Nederlandse scheldwoorden.) Al is het in dit verband wel aardig dat juist onze zendeling-premier binnenkort weer de leider zal zijn van een (zijn derde) "missionaire" kabinet.
